Details. De details moeten worden opgeschreven voor ze worden vergeten. Het is allemaal nog vers, zowel het verdriet alsook de gebeurtenissen. Dus ik begin, maar waarschuw erbij: ik schrijf dit voor mezelf, dus als je de details niet wil kennen, lees dan niet verder..
Na mijn vierde miskraam zaten we in een soort van vacuüum: hoe verder? Wat te doen? De kinderwens was er, maar ook de gedachte ‘count your blessings’ en wij neigden, verstandelijk gezien, naar het laatste. Maar dan is daar dat hart, dat zo zijn eigen leven leid. Bij de gedachte aan anticonceptie sloeg ik volledig op slot, of volledig op tilt. Gevoelsmatig zó lijnrecht tegenover jezelf staan is niet lollig. We besloten het éven op z’n beloop te laten; het was immers nog vers, we hadden nog even. Waarom nu al beslissen? Er zijn andere manieren om niet zwanger te worden.
Een paar weken later gebeurde dan toch datgene dat volgens ons gewoonweg niet kón: mijn menstruatie bleef uit. Mijn ‘psychisch begeleidster’ dacht dat ik de menstruatie onbewust ‘tegenhield’, maar in mijn hele leven maakte ik nog nooit zoiets mee bij mezelf. Twee weken overtijd testte ik een hele dikke, vette plus op een zwangerschapstest. Dus toch. Het onmogelijke tóch geschied. Blij? Jazeker, tuurlijk wel. Voorzichtig, afwachtend, een beetje lacherig.. Hebben wíj weer, dachten we. Stiekum tóch weer die grijns op mijn gezicht; een collega zei me dat ze kon zien dat ik beter in mijn vel zat, want ik straalde. Het was wel mooi ook, een cadeautje. Niet over nagedacht, geen rare stressigheid over wel of niet en beslissingen en van alles, gewoon: het is er. En het bleef maar en het bleef maar, ik zei zo vaak tegen Paul “wat duurt het lang voor het misgaat, hè?”, maar telkens met wat meer hoop in mijn stem.
Eén goede echo. Twee goede echo’s. Bloedingen tussendoor, medicijnen van de Hematoloog, tranen van opluchting, want er gebéurde iets! Het voelde alsof deze zwangerschap zoveel extra met zich meekreeg, dat het híelp. De dag voor die magiche grens, de 13 weken-grens, een echo. “Deze echo nog, en dan moeten we het maar gewoon gaan geloven. Dan is het écht.”
Een bewegend kindje op het scherm, een hartje dat klopte.. Bijna welden de tranen op van geluk, want dit was het dan. De echoscopiste onderbrak mijn gedachten. “Ik zeg het maar gewoon.” Mijn hart stopte bijna. “Maar dit is écht niet goed.”
Naar ziekenhuis 2, de gyneacoloog zelf zien voor een echo en een actieplan. De combinatietest werd niet eens afgemaakt, na deze echo hoefde ik geen bloed meer af te staan. De gyneacoloog bevestigde het. Een nekplooi zo dik, off the charts was ‘ie. Letterlijk. Een nekplooi van 3,5 mm. is te dik. Bij 6 mm. krabt een arts zich op het hoofd. Er was onderzoek gedaan naar extreem verdikte nekplooien, van een mm. of 8, en daar was uigekomen dat de kansen voor deze kindertjes niet best waren. Ons kind had een nekplooi van 11 milimeter.
Ze vertelde van alles, ze liet het zien: een soort schil van vocht om onze baby heen. Ik zag het, maar ik zag het niet. Wat ik zag was een gezichtje, handjes met vingertjes, voetjes, teentjes, kleine bewegingkjes.. Míjn kind.
Die middag moest ik eerst nog opgenomen worden i.v.m. uitdroging. Ik zou vervroegd worden ontslagen om mij de volgende ochtend om kwart over acht te kunnen melden in Leiden voor de vlokkentest, waar heel waarschijnlijk een antwoord zou worden gevonden op de vraag wat dit kindje mankeerde. Stef ging, met koorts en al, logeren bij opa en oma. De volgende ochtend, donderdag, een leeg bedje, ons jarige kind niet eens kunnen feliciteren omdat hij elders was. Lood in mijn schoenen. En dan wachten op de uitslag tot dinsdag.
In het vagevuur een verjaardagsfeestje vieren, om niet alleen de nare dingen te laten bestaan. Dinsdagochtend kwam en ik vertrok met gierende zenuwen naar mijn werk. Verbaasde collega’s: wat deed ik daar nu in vredesnaam? Niet veel, om eerlijk te zijn, want de medicijnen die ik had tegen de misselijkheid voorkwamen met hun gele stickertjes wel dat ik er normale gedachtengangen op na kon houden. Maar het alternatief van thuis tegen de muur opvliegen was ook zo onaantrekkelijk. Toch besloot ik naar huis te gaan, want het ging nergens over. Precies op het moment dat ik mijn jas ging pakken ging mijn telefoon, maar het gebouw waarin ik werk voorkwam een goede verbinding en ik werd niet teruggebeld. Paniek. Paul bellen, maar die nam niet op. Een smsje typen. Halverwege belde Paul. De arts had hem opgebeld omdat haar pogingen mij te bereiken vreselijk mislukten.
Trisomie 18 was de uitslag.
Ik was in verwarring; welke aandoening was dat nou ook al weer? Ik was alles kwijt, compleet blanco, een soort van blackout ofzo.
“Niet verenigbaar met het leven” zei Paul.
Onze werelden stortten in. Ik huilde zo hard dat het pijn deed in mijn buik. Mijn collega’s probeerden me bij te staan. Ik wist wat dit betekende, we hadden deze mogelijke uitkomst al besproken. Ergens was ik dankbaar: wíj hadden geen keuze te maken, dit kind zou hoe dan ook sterven. Wij wisten at ons te doen stond: het lijden van ons kind zoveel mogelijk beperken. Met vreselijke vooruitzichten bij leven konden we, voor ons gevoel, maar één ding doen: de zwangerschap afbreken. We kregen de ruimte om zelf te bepalen wanneer. Het werd na ons weekend Texel, want daar hadden wij ons erg op verheugd en ik had even de tijd nodig om eraan te wennen. Ik was vreselijk bang voor wat er komen ging. We hadden het fijn op Texel en op zondagavond, op een exact aangegeven tijd, nam ik medicijnen die mijn lichaam moesten ‘voorbewerken’ voor de bevalling.
Dinsdag dertien december meldden wij ons om half 8 bij de verloskamers en de arts-assistent die ons in het voortraject altijd had begeleid zat achter de balie. Een vertrouwd gezicht, een prettig persoon. Meteen weer tranen. Maar ook een besef: ik ben niet bang meer. Hier gaan we. Ik had die ochtend al wat buikpijn en bloedverlies, een teken dat de medicijnen van zondagavond aan waren geslagen.
Op de verloskamer kreeg ik alvast een infuus, er werd bloed afgenomen en ik kreeg medicijnen ingebracht die de weeën op gang moesten gaan brengen. Vier uur afwachten, indien nodig herhalen. Tot onze zoon zou komen. Ik voelde een rare druk op mijn onderbuik en begon grote stolsels te verliezen. na vier uur echter een teleurstellend resultaat: geen enkele ontsluiting. Ik was bang dat ons kind er ‘zomaar’ uit zou vallen, zoals die stolsels. De medicijnen bleken niet goed ingebracht, dus moesten we wachten tot het tijd was voor nieuwe. We lunchten en vervolgens kreeg ik opnieuw twee tabletten. Een uur blijven liggen, wachten.. Er gebeurde weinig. Paul trok het niet meer en vertrok naar de zeer nabijgelegen supermarkt om wat vergeten items te halen (zoals tandpasta), nu het ernaar uit zag dat het nog wel een behoorlijke tijd ging duren. Hij kwam terug en heel langzaam leek er wat te gaan gebeuren. Meer krampjes af en aan, ik begon de tijden op te schrijven dat ik iets voelde. Plots voelde ik weer een stolsel, of een bloeding ofzo, en rende naar het toilet. Eenmaal daar bleek het iets anders te zijn dat ik niet kon thuisbrengen. De toegesnelde verpleegster constateerde met mij dat het waarschijnlijk wederom de medicijnen waren, dus dat we helaas weer zouden moeten wachten op de volgende ronde. Ik was erg teleurgesteld: je zit dan misschien niet te wachten op de bevalling, maar dat vreselijke wachten was ook naar. Het zwaard van Damocles boven je hoofd, maar die onvermijdelijke klap blijft maar uit.
De arts kwam nog eens toucheren, het was een uur of vier, vijf over vier. De volgende ronde qua medicijnen zou pas half zeven weer zijn. De krampjes leken totaal voor niks te zijn, want er as niets veranderd. Geen ontsluiting, niks. Weer wachten dus, tot half zeven. We besloten naar Paul’s ouders te bellen om Stef even te horen. Terwijl onze zoon op de speaker onverstaanbare brabbelverhalen vertelde kreeg ik écht weeën. Ik moest ze wegzuchten en kon nog maar één ding denken: ik moet zo echt naar het toilet gaan, anders ben ik te laat! Toch bleef ik nog liggen, luisterde nog naar de stem van mijn zoon en zuchtte nog een wee weg. Stef hing op en ik snelde naar het toilet. Daar gebeurde alles ineens snel, ik voelde een groot stolsel, toen nog één. Een rare, andere, er klopte iets niet en ik keek. Mijn angst was waarheid geworden, daar hing hij aan zijn navelstreng. In foetushouding, oogjes dicht, geen beweging. Ik kan niet omschrijven hoe dat voelde, het was zo intens schokkend, het was alsof de zwaartekracht zich ineens omkeerde. De verpleegster was er al heel snel weer bij en voorzichtig begeleidden zij en Paul mij terug naar bed. De navelstreng werd doorgeknipt en voorzichtig legde ze Gabriël, onze zoon, onze engel, op een doek en gaf hem aan ons. Hij was prachtig, zo mooi, zo ontzettend áf al, hij had nageltjes aan zijn vingers en tenen, zijn gezichtje.. Ik was zo trots, zo.. Vol verbazing. Nog even geen verdriet, maar verwondering, klaarblijkelijk maakt het op dat ene moment niet uit of het kind leeft of niet, want het was het gevoel van mijn kind voor het eerst ontmoeten. Hij was er. Onze kleine. Van geen enkele ontsluiting naar zijn geboorte in een minuut of 10.
De placenta kwam met een béétje hulp van een middeltje in mijn infuus vanzelf; er was verteld dat we ernstig rekening moesten houden met verwijdering ervan op de OK, onder narcose. Dat zou een naxht opname betekenen. Opgelucht dat dat niet hoefde was ik, maar al snel was mijn behoefte om die avond naar huis te gaan weg. Ik wilde bij Gabriël blijven, net als mijn lief. Dat dat kon, dat we zo geweldig en liefdevol werden begeleid, hoe lief er voor ons en voor Gabriël werd gezorgd.. Voetafdrukjes werden gemaakt (een bijzonder lastige klus met zulke kleine voetjes), Gabriël werd gewogen. We zochten een mandje uit voor hem om in te rusten, maakten er een piepklein bedje in van de doeken die we zelf mee hadden genomen en een van het ziekenhuis gekregen Quilt dekte het mandje af. Die nacht lagen we met z’n drietjes bij elkaar: ik en Paul in een warm bed, Gabriël in een koude, want met een koelelement legden we hem in de vensterbank, waar het koud was zodat hij kon blijven zoals hij was.
De volgende ochtend ons afscheid. De hel op aarde. Ik kon hem niet achterlaten, dus vroeg de verpleegster zijn reis te laten beginnen voor ons uit. Diezelfde middag gingen we nog éénmaal terug: onze ouders en mijn broer wilden ook afscheid van hem nemen. Emotioneel was het, temeer omdat ook Stef erbij was en hij ook zijn broertje ontmoette. Later vroeg hij uit zichzelf nog eens “Biebie kijke”, een bijzonder moment. Met z’n drieën wensten we Gabriël een goede reis.
Hij zal worden gecremeerd en daarna mogen we zijn as en ook zijn spulletjes komen halen. En dat was het dan. 15 weken zwangerschap, maar mijn zoon is weg. Ik mis hem, ik mis mijn buik, is mis ons vooruitzicht, onze toekomst samen. Ik vraag me niet meer af waarom, want ik zal daar nooit een antwoord op kunnen verzinnen dat een verklaring zal kunnen geven. We zijn hem kwijt, maar zullen hem nooit verliezen. Wij zijn nu voor altijd met z’n vieren.
Gabriël, geboren en gestorven op 13 december 2011 om 16.15 uur.