“Ik ga het proberen.” Zei ik toen ik zwanger was van Stef. No pressure, als het me zwaar zou vallen zou ik gewoon stoppen.
Bij de borstvoeding kwamen er genoeg problemen op mijn pad. Dingen waarvan je de zin in de borstvoeding makkelijk zou kunnen vergaan. Toch bood ik ze, voor mijn gevoel met gemak, het hoofd en voedde ik verder tot Stef 9 maanden oud was. Het voelde goed, het ging prima. Met een gevoel dat het midden houdt tussen weemoed en verdriet nam ik afscheid van ‘onze’ momenten toen mijn voeding terugliep en Stef niet meer wilde. Vanzelfsprekend dus, dat ik ook Isabel zelf zou gaan voeden.
En het gaat goed, vanaf het begin al. Genoeg melk, ze drinkt goed, ze groeit prima. Er zijn wel problemen, maar niets dat de problemen die ik bij Stef had overstijgt. Op één na. Isabel wil niet uit flesjes drinken. Gewoon níet. En buiten de obvious problemen die dat geeft (help! Ze moet bijna naar de opvang!) veroorzaakt dat iets diepgaanders: het gevoel dat ik móet. En juist dat ene, kleine verschil verandert simpelweg álles. Zelfs de kleinere problemen (spruw, pijn bij het voeden enz.) worden ineens heel Groot en Beklemmend nu ik geen achterdeurtje heb om door te ontsnappen. En dat doet zeer, want ik wil die tegenzin die ik zich in mij voel opstapelen niet. Ik wil straks met veel liefde en een fijn gevoel terug kunnen kijken op een prettige laatste borstvoedingsperiode, niet op een gevecht dat ik met tegenzin voerde.
Voorlopig lassen we een pauze in qua flesjes geven en dan hoop ik maar dat Isabel daarna, als de spruw is overwonnen, wel weer de fles wil. Of het leert op de opvang desnoods. Niet omdat ik wil stoppen, maar omdat ik door wil gaan. Ik hoop het enorm.



Hij werd vreselijk verwend, at voor het eerst een taartje (en vond slagroom enorm vies), moest lachen toen er voor hem gezongen werd.







