Mijn schoonzus en haar lief kwamen eten. Het was gezellig, de wijn was al open en Stef zat net in zijn kinderstoel zodat we hem zijn avondeten konden geven. Ik had even ervoor al staan kletsen met Loki op mijn arm en hij had zijn kopje heel lief, heel bijzonder, op mijn arm gelegd, alsof hij ging slapen.
Ik zette hem op de grond en ging weer aan de gang met dingen. Maar er ging iets niet goed. Helemáál niet goed. Loki zwabberde enorm raar met zijn achterpootjes terwijl hij weg wilde lopen. Zwalkte, trok krom. Zakte door zijn achterlijf en ging vervolgens in zijn geheel op de grond liggen. Zijn pupillen werden heel groot en het was alsof alle leven zo uit hem wegstroomde. Opstaan deed hij niet meer, zijn achterlijf leek verlamd. Hij trok weer krom terwijl Paul wanhopig zocht naar het alarmnummer van de dierenarts. Zulke dingen gebeuren uiteraard zelden tijdens de openingstijden.
De tranen begonnen bij mij al te stromen: hoe kon ik in ‘s-hemelsnaam gemist hebben dat de manier waarop hij in mijn armen lag niet líef was, maar abnormaal en een slecht teken? Mijn hemel, wat als, wat als..
Terwijl Paul sprak met de dierenarts en het advies kreeg het heel even aan te kijken stond Loki inééns op en liep naar de bank. Bíjna alsof er niks aan de hand was, al deden zijn achterpootjes nog wel een beetje anders. Ik kon het niet geloven en wilde het eigenlijk schreeuwen: “wat er net gebeurde was zó niet goed, we moeten iets doen! Dit kan niet! Dit kan niet!”
Het gedeelte van mij dat eigenlijk vooral wilde geloven dat het niet erg was, dat Loki niet heel ziek was, dat het allemaal goed zou komen won. Ik schreeuwde niet, knuffelde hem alleen maar. Paul had opgehangen en ondertussen vermaakte Stef zich met de Teletubbies. Mijn schoonzus en haar lief probeerden me te troosten; het ging nu toch wel weer goed?
Ineens trok Loki weer krom, zijn lijf in een rare houding, zijn voorpootje in een soort van verkramping onder zijn kin getrokken. Weer die grote pupillen. Nu écht tranen, ook ons bezoek wist niet meer wat te zeggen, behalve “ik denk dat het nu écht tijd wordt om terug te bellen”.
We mochten meteen komen. En daar kwam meteen weer de onmetelijke kracht van de kat als dier tevoorschijn. Katten zullen alles, maar dan ook álles doen om zo lang mogelijk te verstoppen dat ze ziek zijn. Als je het ziet zijn ze vaak al heel ver heen. Lokiś achterlijf was bijna totaal verlamd, toen hij van de bank sprong zakten zijn achterpoten tijdens het lopen steeds verder opzij en nog geen 4 meter verder zakte zijn achterlijf weer weg. Verlamd. Tót het reismandje in zicht kwam. Mijn hemel, wat is zo’n beest dan vlug! Maar het lukte en schoonzus reed mee naar de dierenarts, terwijl de heren zich thuis over Stef ontfermden.
Lokiś blaas bleek heel vol te zitten. Goddank geen hersenbloeding, waar ik, naast blaasproblemen, enorm bang voor was geweest. Een narcose en een catheter waren noodzakelijk, net als een urine-onderzoek om de nierwaarden te meten. Wanneer een kat een volle blaas heeft en niet meer kan plassen kunnen de nieren uiteindelijk de gifstoffen niet meer kwijt en als die zich op gaan hopen in de nieren is er een punt dat de kat zichzelf zodanig heeft vergiftigd, dat hij niet meer te redden is. Wanneer de blaas leeg was en de nierwaarden goed zouden we hem misschien vanavond nog mogen komen halen.
We dropen af naar huis met een knoop in onze maag. Wat nu als zijn nieren al aangetast waren? Ik durfde er amper over na te denken, wat zou ik moeten zonder Loki?
Bij thuiskomst waren we precies op tijd om Stef op bed te leggen. Terwijl ik hem een laatste slaap zacht wenste, ging de telefoon. Loki mocht alweer naar huis! Een laatste rit naar de dierenarts, terwijl de heren ons eten voorbereidden. Het was ondertussen al half acht. We spraken nog een tijdje met de dierenarts. We waren op tijd, hulde, Loki was nu te helpen met medicijnen en aandacht aan hem én zijn leefomgeving. Ook deze blaasproblemen zijn, zoals ook bij Max, terug te voeren op stress. Het klopt: zodra Stef de kamer inkomt verstijven de katten. Ze zijn bang voor hem, en ik kan het ze niet kwalijk nemen. Hij vind ze té leuk, gaat ze achterna, wil ze pakken. De katten willen bij mij in de buurt zijn, zoals ze altijd gedaan hebben.
Nu dus twee katten die ziek zijn. Ik weet dat we er alles aan doen wat we kunnen, maar het stemt me diepbedroefd dat ik ze niet kan helpen zoals ik zou willen. Dat zij nu zó gestresst zijn dat ze er fysiek aan onderdoor gaan. Ook Max heeft sindsdien weer een blaasontsteking en ik weet het niet meer. In het nieuwe huis, met meer ruimte, zal het ongetwijfeld beter met hen gaan. Dat geloven wij, dat gelooft de dierenarts, dat gelooft de gedragsdeskundige. Nog een paar weken.
Maar waarom duren die weken toch zo lang? :’(