Eén dag na mijn 25e verjaardag, op 29 juni 2004, werd ik weer degene die ik was vóórdat ik een hele slechte gewoonte oppakte. Ik had toen een kleine zes jaar gerookt; op mijn 19e werkte ik bij een bedrijf, waar zoveel collega's rookten, dat ik na een tip van een collega een wel zéér creatieve oplossing vond voor het feit dat ik érg slecht tegen meeroken kan: if you can't beat them, join them. Nú is het nauwelijks nog voor te stellen, maar nog niet zo heel lang geleden was roken weliswaar een probleem ("Roken. We lossen het sámen wel op"), maar de stemmen die toen voorzichtig fluisterden dat roken op de werkplek verboden zou moeten worden werd door practisch iedereen weggehoond. Belachelijk. Onhaalbaar. Toen ik dus last had van de rook van mijn collega's in ons 'hok' was het helemaal niet raar toen er één collega tegen mij zei, dat ik daar heel gemakkelijk vanaf kon komen: gewoon één sigaretje meeroken en je hebt nergens meer last van. Ik probeerde het en het werkte: al gauw bietste ik elke dag bij weer een andere collega één peukje and she lived happily ever after. Tót dat ene sigaretje ook echt lekker begon te smaken. Het er vervolgens twee werden. Toen drie. En op een dag belandde ik op een punt, waarvan ik nooit had gedacht dat ik 'm zou bereiken: ik kocht zelf een pakje sigaretten, omdat ik het voor mezelf niet meer kon verantwoorden om zoveel sigaretten bij anderen te bietsen.
Ik heb altijd een haat-liefdeverhouding gehouden met mijn verslaving: enerzijds vond ik het lekker, maar anderszijds kon ik er zelfs als róker niet goed tegen. Als ik teveel rookte (ik zat op zo'n 2-3 pakjes per week en dat ben ik nooit ontstegen) kreeg ik pijn in mijn keel en werd ik benauwd, soms zelfs tot een soort van een afgezwakte verkoudheid die een paar dagen aanhield aan toe. Wat ik andere rokers zag doen kon ik allemaal niet. Veel roken was voor mij dus out of the question en zwaardere sigaretten als mijn lights trok ik al helemáál niet. Shag vond ik zelfs ronduit smerig: ik sloeg er steil van achterover als ik dat probeerde te roken. Op een dag was het genoeg geweest: ik besloot dat het tijd was om te stoppen. Van een vriendin kreeg ik een boek van Allen Carr en ik nam me voor dit boek uit te lezen op de dag na mijn verjaardag. Ik besloot tevens dat ik op deze laatste dag een héél pakje sigaretten zou roken. Bij de laatste sigaret van dat pakje zou het dan klaar zijn. Ik las het boek en rookte die dag als een ketter: om ongeveer vijf voor vier in de middag stak ik de laatste sigaret op en had ik een héél pakje weggerookt. Dit bleek een érg goede combinatie: het boek had me een aantal inzichten geboden die me het stoppen van een héle andere kant hadden leren bekijken en ik had die laatste dag zó veel gerookt dat ik de eerste 3 dagen sowieso al ziek was van het roken. Toen de pijn in mijn strot éindelijk een beetje weg was getrokken was mijn fysieke verslaving er ook al aan: na drie dagen ben je lichamelijk gezien ontwend. En ondanks het feit dat het heel ráár was om niet te roken, heb ik het nooit echt gemist; op de één of andere manier heb ik iets gedaan waardoor ik met zó tergend veel gemak gestopt ben dat de meeste rokers (óf ex-rokers) die ik het vertel me gewoonweg weigeren te geloven. Maar het is écht waar: stoppen met roken is écht a piece of cookie!
Nu ben ik dus weer een niet-roker, want tot op de dag van vandaag rook ik niet. Dat niet-roker staat er heel bewust, want ik voel me géén ex-roker. Ik voel zelden of nooit de verleiding, dat éne sigaretje bij het opstaan of na het eten mis ik absoluut niet en ik weiger pertinent zo'n sneue ex-roker te worden die vervolgens alle rokers verkettert alsof zijn leven ervanaf hangt. Nee, ik vind de manier waarop er nú met rokers om wordt gegaan ronduit een hetze en ik denk dat het probleem zéker op betere manieren kan worden opgelost. Ookal heb ik er ondertussen wél weer behoorlijk last van: meeroken. Ik ga gewóón mee naar de kroeg en ik zet ook gewóón een asbak op tafel zodra er iemand die rookt op bezoek is, maar ik merk het wel steeds vaker als ik heb meegerookt: een vervelende rokers-keelpijn, soms tot-en-met die semi-verkoudheid aan toe. Het is niet anders. Ik troost me met de gedachte dat er steeds minder mensen roken en dat er steeds betere maatregelen komen op de plaatsen waar wel gerookt mag worden: zo is de kroeg de September bij mij sinds een tijdje favoriet, vanwege de geweldige afzuiging. En ondertussen geniet ik weer van de geneugten van het niet-roker zijn: mijn scherpe neus is volledig terug*, ik ben niet meer zo kortademig, het typische rokers-hoestje is uit mijn leven verdwenen en sporten en bewegen gaat me véél gemakkelijker af..
*: Toen ik net stopte met roken wist ik niet wat me overkwam; ik heb altijd al een érg scherp reukvermogen gehad, maar ik had pas in de gaten hoe erg dat werd afgestompt door het roken toen ik stopte. Ik rook ineens het zweet van mensen die aan de andere kant van de straat liepen, of de waspoeder-afdeling van de supermarkt als ik bij de groenten stond.

Een avondje met een vriendin op de bank, wijntje erbij, verders nix. Beetje bijkletsen, samen lachen, je er samen van bewust worden dat je al langer bevriend met elkaar bent (17 jaar!) als dat je hebt geleefd zónder elkaar te kennen, praten over mannen, auto's en werk..









Geruisloos zoeft de tijd voorbij. Hoe ouder ik word, hoe meer ik me erover verbaas. Mijn katten zijn alweer vijf jaar oud, onze bruiloft alweer drie-en-een-halve maand geleden. We kochten dit huis al bijna twee jaar terug. Het voelt als eeuwen geleden en de dag van gisteren tegelijk. Ons leven kabbelt voort in prettig vaarwater; geen kolkende massa maar ook geen stilstaand water met bijbehorende, ranzige geur. Wanneer ik om me heen kijk doet hetgeen ik om me heen zie prettig aan: I like what I see. Afgelopen maandag stond ik voor het eerst mijn autoruit te krabben*. Dit weekend gaat de klok een uur terug.
Druk, maar héél fijn. De afgelopen twee dagen in een notedop. Althans, de laatste anderhalve dag eigenlijk, want gisteren waren ik en mijn lief het eigenlijk goed zat, allemaal. Het huishouden, het werk, alle beslommeringen.. We gunden onszelf dus een avondje ontsnapping en deden iets dat we al een tijdje niet meer hadden gedaan: we reden vanuit ons werk naar de bioscoop, aten wat bij de McDonalds en lieten ons vervolgens een uurtje of twee lang meevoeren op een avontuur dat
Wordt het weer tijd voor knus op de bank, met een dekentje erbij. Kop warme thee (of, wanneer het écht koud is, warme chocolade met slagroom), DVD'tje in de speler.. Héérlijk. Waar wij in ons oude huis een hele herfst/winter doorbrachten met een Sopranos-verslaving (zacht uitgedrukt) vielen wij niet zo lang geleden in een Soprano-loos zwart gat: de laatste afleveringen van het laatste seizoen gingen erin als zoete koek en voor we het wisten waren ze op. Dat afscheid deed ons wel een beetje pijn, want wat ons betreft was dit de beste serie die we ooit zagen en nog nooit hebben wij dan ook zó aan de buis gekluisterd gezeten voor een tv-show.
Zo perplex als wij waren van hun vraag, zo verbaasd waren zij dat wij meteen antwoordden. Het
Ik zou jullie kunnen lastigvallen met de dromen die ik droom. Of met mijn nog steeds vervelend aanwezige bronchitis. Ik zou jullie kunnen vertellen over mijn plannen voor komend weekend, of over het herfstgevoel dat zich eindelijk bij mij heeft aangediend (tja, ik ben nu eenmaal een laatbloeier, zullen we maar zeggen). Ik zóu mijn spannende (ahem) belevenissen van de afgelopen dagen hier kunnen neerpennen (nog gefeliciteerd, lieve Wimmie!), of kunnen schrijven over de laatste film die ik zag. De serie waaraan wij aan verslaafd zijn geraakt aanbevelen kan ook nog. En dan heb ik het maar niet over al die onderwerpen die ik tijdelijk en volledig spontaan vergeet zodra ik dan eenmaal in de gelegenheid ben om erover te schrijven.
Mijn tweede werkdag sinds mijn vakantie-met-week-ziek-erachteraan kreeg ik niet vol. Rond tweeën toog ik naar huis, volledig afgedraaid. Opnieuw een middag op de bank doorbrengen was niet wat ik in gedachten had gehad toen ik 's-morgens opstond.